INHOUD
West-Indische Compagnie:
In de tweede helft van de 17e eeuw verdeelde de West-Indische Compganie het eiland onder particulieren. De nieuwe grondbezitters zetten de plantagebouw, waarmee de W.I.C. was begonnen, voort. Op de plantages bouwden de eigenaars (meestal grote) huizen, die van oorsprong de hoofdgebouwen van het plantagebedrijf waren. Het waren gebouwen, die onderdak boden aan de plantage-eigenaren en hun gezin en gebouwd werden in Nederlandse stijl, aangepast aan de omstandigheden op Curaçao. Om het landhuis bevonden zich de opslagplaatsen (zgn. magasina's), de koralen, de stallen en de bediendenverblijven. Daarbuiten stonden de slavenhutten.

Plantages:
Op de plantages werd voornamelijk landbouw en veeteelt bedreven. Meestal werd dit voor eigen gebruik gedaan. Maïs, verfhout, suikerriet, tabak, indigo, limoenen, katoen, cochenille-cultuur, aloë vera, divi-divi, agave, laraha, mango, guava, mispel, zuurzak en papaja waren de meest verbouwde artikelen. Daarnaast werd rundvee, geiten, schapen en pluimvee gehouden. Tot slot waren er ook veel zoutbedrijven en werd water gewonnen uit putten.
Ligging:
De landhuizen liggen (of lagen) verspreid over het eiland, meestal op hogere plaatsen, gunstig op de wind, van verre zichtbaar. In veel gevallen konden de eigenaren van de landhuizen een of meerdere andere landhuizen zien vanaf hun eigen locatie. Zo kon men elkaar tijdig waarschuwen, bijvoorbeeld bij gevaar of in tijden van oproer. Dat deed men onder andere door een brandende fakkel te steken in een oog in de gevel van het landhuis. Maar door de hoge ligging van het landhuis kon de plantage-eigenaar ook zijn eigen land overzien. Het landhuis werd altijd zó gebouwd dat de passaatwind door het huis kon waaien en zo voor verkoeling kon zorgen. De term "landhuis" dateert uit het begin van de 20e eeuw. Daarvóór werd het hoofdgebouw van een plantage aangeduid als "het huis", "de behuizing" of "het plantagehuis". Ook is een landhuis het hoofdgebouw van wat ooit een "tuin" was. Een (lust)tuin was een buitenverblijf, weekendwoning of tweede woning, waar ook wel enige landbouw of veeteelt werd beoefend. Meestal bij wijze van aardigheid of economische bijkomstigheid.

Lusttuinen:
Al in de 18e en vooral in de 19e eeuw werden in de nabijheid van de stad lusttuinen gecreëerd. Het betrof kleinere stukken grond, sommige echter groter dan de kleinere plantages, waarop een buitenverblijf werd gebouwd. Volgens officiële rapporten waren er in 1816 141 plantages en 129 tuinen, maar in 1843 stonden 105 plantages en 52 tuinen geregistreerd. De grootte van de plantage was niet interessant. Belangrijker was de aanwezigheid van stenen gebouwen en aantallen vee en slaven. Daarom kon het gebeuren dat men Bloempot met 1,5 hectare wel een plantage noemde en Alida met 14 hectare niet.
Kleuren:
Waarschijnlijk zijn de landhuizen oorspronkelijk altijd wit van kleur geweest. In 1817 lieten de Gouverneur en de Raden van het eiland echter een verbod uitvaardigen om de buitenmuren van gebouwen in Willemstad en omgeving wit te schilderen. Men vond dat de weerkaatsing van de zonnestralen op het oogstelstel schadelijk kon zijn. Sindsdien werden de stadshuizen en geleidelijk aan ook de landhuizen en de gewone huizen in zachte kleuren geschilderd. Okergeel kreeg de voorkeur, maar in de loop der tijd werden ook andere kleuren gebruikt.

Het gebouw:
De basis van een landhuis is de zogenaamde kern, het middelste deel van het huis, met een zolderverdieping en soms enkele dakkapellen. Grote landhuizen hebben veelal een extra verdieping op de kern. Meestal is om de kern heen, aan twee, drie of vier zijden, een open, halfopen of gesloten galerij gebouwd. Buiten het bouwwerk lag dan meestal een ommuurd terras met een of meer trappen of "opgangen". In de gevallen waar geen galerij is gebouwd, is de kern, die ook een blok wordt genoemd, vaak uitgebreid met nog twee of drie blokken van gelijke grootte. Die zijn dan in de lengterichting tegen elkaar gebouwd. Daarnaast komen er ook landhuizen voor in een H-, L-, T- of U-vorm, of met een mix van vormen. Groot Davelaar is het enige landhuis met een achthoekige vorm; Jonchi heeft als enige een plat dak.
![]() De kern van het landhuis |
![]() De kern met een zadeldak |
![]() De kern met een schilddak |
![]() De kern uitgebreid met twee extra blokken, alle met een schilddak |
![]() De kern met een zadeldak, een dakkapel en aan twee zijden een galerij met lessenaarsdak |
![]() De kern met een schilddak, twee dakkapellen en aan twee zijden een galerij met lessenaarsdak |
Bonaire en Aruba:
Ook op Bonaire komen landhuizen voor. Het aantal is echter aanzienlijk kleiner dan op Curaçao. De landhuizen van Bonaire zijn ook op deze website vermeld, maar de informatie is beperkt. Aruba heeft geen landhuizen, hoewel er wel huizen zijn die "landhuis" genoemd worden. Voorbeelden zijn de landhuizen Fontein, Vader Piet, Prins, Sividivi en Zorg en Hoop. Naar die landhuizen is geen onderzoek gedaan.
Afmeting:
Bij een aantal landhuizen is vermeld hoe groot de plantage ooit is geweest. Dit is aangegeven in hectares. Een hectare is 10.000 m2, oftewel 100 x 100 meter. Ter vergelijking: een hectare is 1,4 keer de afmeting van een FIFA-voetbalveld. Op onderstaande luchtfoto van de wijk Punda is zichtbaar hoe groot een hectare ongeveer is. Ieder vierkant is een hectare; op de foto zijn 24 hectares getekend (dat zijn 33,6 voetbalvelden).
