Over de land­huizen

INHOUD

 

West-Indische Compagnie:
In de tweede helft van de 17e eeuw ver­deelde de West-Indische Compganie het eiland onder par­ti­cu­lieren. De nieuwe grond­be­zitters zet­ten de plan­ta­ge­bouw, waar­mee de W.I.C. was be­gon­nen, voort. Op de plan­ta­ges bouw­den de eige­naars (meestal grote) huizen, die van oor­sprong de hoofd­gebouwen van het plan­ta­ge­be­drijf waren. Het waren ge­bouwen, die onder­dak boden aan de plan­ta­ge-eige­naren en hun ge­zin en ge­bouwd werden in Neder­land­se stijl, aan­ge­past aan de om­stan­dig­heden op Curaçao. Om het land­huis be­vonden zich de op­slag­plaatsen (zgn. maga­sina's), de kora­len, de stal­len en de be­dienden­ver­blij­ven. Daar­buiten stonden de slaven­hut­ten.


Vlag West-Indische Compagnie 1695

Plantages:
Op de plantages werd voornamelijk land­bouw en vee­teelt be­dreven. Meestal werd dit voor eigen ge­bruik ge­daan. Maïs, verf­hout, suiker­riet, tabak, in­di­go, limoe­nen, katoen, coche­nil­le-cul­tuur, aloë vera, divi-divi, agave, laraha, mango, guava, mispel, zuur­zak en papaja waren de meest ver­bouw­de arti­ke­len. Daar­naast werd rund­vee, geiten, schapen en pluim­vee ge­hou­den. Tot slot waren er ook veel zout­be­drij­ven en werd water ge­wonnen uit putten.

Ligging:
De land­huizen liggen (of lagen) verspreid over het eiland, meestal op hogere plaatsen, gunstig op de wind, van verre zichtbaar. In veel gevallen konden de eigenaren van de land­huizen een of meerdere andere land­huizen zien vanaf hun eigen locatie. Zo kon men elkaar tijdig waar­schuwen, bij­voor­beeld bij ge­vaar of in tijden van op­roer. Dat deed men onder andere door een bran­den­de fak­kel te steken in een oog in de gevel van het land­huis. Maar door de hoge ligging van het land­huis kon de plantage-eigenaar ook zijn eigen land overzien. Het land­huis werd altijd zó ge­bouwd dat de passaat­wind door het huis kon waaien en zo voor verkoeling kon zorgen. De term "land­huis" dateert uit het begin van de 20e eeuw. Daar­vóór werd het hoofd­gebouw van een plantage aan­geduid als "het huis", "de be­hui­zing" of "het plantage­huis". Ook is een land­huis het hoofd­ge­bouw van wat ooit een "tuin" was. Een (lust)tuin was een bui­ten­ver­blijf, weekend­woning of tweede woning, waar ook wel enige land­bouw of vee­teelt werd be­oefend. Meestal bij wijze van aardig­heid of eco­no­mi­sche bij­kom­stig­heid.


Luchtfoto van het Christoffel Nationaal Park, waarbij duidelijk te zien is dat Landhuis Zorgvliet hoog in de heuvels is gelegen (eigen foto, 2024)

Lusttuinen:
Al in de 18e en vooral in de 19e eeuw werden in de nabijheid van de stad lusttuinen gecreëerd. Het betrof kleinere stukken grond, sommige echter groter dan de kleinere plantages, waarop een buitenverblijf werd gebouwd. Volgens officiële rapporten waren er in 1816 141 plantages en 129 tuinen, maar in 1843 stonden 105 plantages en 52 tuinen geregistreerd. De grootte van de plantage was niet interessant. Belangrijker was de aanwezigheid van stenen gebouwen en aantallen vee en slaven. Daarom kon het gebeuren dat men Bloempot met 1,5 hectare wel een plantage noemde en Alida met 14 hectare niet.

Kleuren:
Waarschijnlijk zijn de land­huizen oor­spron­ke­lijk altijd wit van kleur ge­weest. In 1817 lieten de Gou­ver­neur en de Raden van het eiland echter een ver­bod uit­vaar­digen om de buiten­muren van ge­bouwen in Willem­stad en om­ge­ving wit te schil­de­ren. Men vond dat de weer­kaat­sing van de zonne­stralen op het oog­stelstel schade­lijk kon zijn. Sinds­dien werden de stads­huizen en ge­lei­de­lijk aan ook de land­huizen en de ge­wone huizen in zachte kleu­ren ge­schil­derd. Oker­geel kreeg de voor­keur, maar in de loop der tijd werden ook andere kleuren ge­bruikt.


Landhuis Groot Santa Martha (eigen foto, 2024)

Het gebouw:
De basis van een land­huis is de zo­ge­naamde kern, het middelste deel van het huis, met een zol­der­ver­die­ping en soms enkele dak­kapel­len. Grote land­huizen hebben veel­al een extra ver­dieping op de kern. Meestal is om de kern heen, aan twee, drie of vier zijden, een open, halfopen of ge­slo­ten gale­rij ge­bouwd. Buiten het bouw­werk lag dan meestal een om­muurd terras met een of meer trap­pen of "op­gangen". In de ge­val­len waar geen gale­rij is ge­bouwd, is de kern, die ook een blok wordt ge­noemd, vaak uit­ge­breid met nog twee of drie blok­ken van ge­lijke groot­te. Die zijn dan in de lengte­rich­ting tegen elkaar ge­bouwd. Daar­naast komen er ook land­huizen voor in een H-, L-, T- of U-vorm, of met een mix van vormen. Groot Dave­laar is het enige land­huis met een acht­hoekige vorm; Jonchi heeft als enige een plat dak.


De kern van het land­huis

De kern met een zadeldak

De kern met een schilddak

De kern uitgebreid met twee extra blokken, alle met een schilddak

De kern met een zadeldak, een dakkapel en aan twee zijden een galerij met lessenaarsdak

De kern met een schilddak, twee dakkapellen en aan twee zijden een galerij met lessenaarsdak

Bonaire en Aruba:
Ook op Bonaire komen land­huizen voor. Het aantal is echter aanzienlijk kleiner dan op Curaçao. De land­huizen van Bonaire zijn ook op deze website vermeld, maar de in­for­ma­tie is be­perkt. Aruba heeft geen land­huizen, hoewel er wel hui­zen zijn die "land­huis" ge­noemd wor­den. Voor­beelden zijn de land­huizen Fon­tein, Vader Piet, Prins, Sivi­divi en Zorg en Hoop. Naar die land­huizen is geen onder­zoek ge­daan.

Afmeting:
Bij een aantal land­huizen is vermeld hoe groot de plantage ooit is geweest. Dit is aan­gegeven in hectares. Een hectare is 10.000 m2, oftewel 100 x 100 meter. Ter ver­ge­lij­king: een hectare is 1,4 keer de af­meting van een FIFA-voet­bal­veld. Op onder­staande lucht­foto van de wijk Punda is zicht­baar hoe groot een hectare on­ge­veer is. Ieder vier­kant is een hectare; op de foto zijn 24 hectares ge­tekend (dat zijn 33,6 voet­bal­velden).


Google en het Google-logo zijn geregistreerde handels­merken van Google Inc., gebruikt met toestemming.